Dit is nog een draft versie
Naast licht hebben planten bouwstoffen nodig om te groeien. Er zijn verschillende soorten bouwstoffen. Zogauw een bouwstof niet in voldoende mate voorradig is dan wordt het groeien belemmerd (Minimumwet van Leibig). (Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in het lelijk worden van bladeren).
Het is belangrijk om er zorg voor te dragen dat alle benodigde bouwstoffen in voldoende mate aanwezig zijn. Er wordt onderscheid gemaakt in twee verschillende typen bouwstoffen, de macro-bouwstoffen (deze zijn in ruime hoeveelheden benodigd) en de micro-bouwstoffen (deze zijn in veel kleinere hoeveelheden benodigd). In een artikel van Karen Randall zijn de bouwstoffen geanalyseerd en laat zien in welke hoeveelheid de bouwstoffen voorkomen in (gedroogde) plantenmassa.
Sommige van deze bouwstoffen komen van nature al in voldoende in een aquarium voor, aan andere bouwstoffen is al snel een gebrek.
Bij voldoende licht is er al snel behoefte aan een extra koolstofbron (C). Zelfs bij een aquarium met een wat minder sterke verlichting kan koolstoftoevoeging een aanzienlijke vooruitgang in de plantengroei laten zien. Koolstof kan op verschillende manieren toegevoegd worden, bijvoorbeeld door een vloeistoftoevoeging (b.v. Flourish Excel, easycarbo) of door CO2 gas in het water op te lossen (bijvoorbeeld bioCO2 of flessengas).
Vervolgens zijn de macro-bouwstoffen Stikstof (N), Kalium (K) en Fosfor (P) aan de beurt. De dieren in het aquarium scheiden macro-bouwstoffen af, maar soms/vaak niet in voldoende mate.
Deze stoffen kunnen dan ook toegevoegd. Zodoende wordt vaak kaliumnitraat (KNO3) gebruikt om N en K te leveren, en K2HPO4 als P bron. Soms wordt K2SO4 gebruikt om nog extra K te leveren.
Voor de micro-bouwstoffen (bijvoorbeeld ijzer, magnesium, koper) wordt vaak een vloeibare plantenmest gebruikt.
Toevoegen
Alle bouwstoffen dienen in voldoende mate in het aquarium aanwezig te zijn. Als we ons richten op het toevoegen van N en P, dan wordt in Nederland vaak de zogenaamde “Redfield ratio” (zie ook Aquarius Tubanti) aangehaald. Hierbij wordt het water getest, en op basis van de uitslag kunnen bouwstoffen (N en P) aan het water worden toegevoegd. Nadeel hierbij vind ik het veelvuldig testen en het aflezen van de metingen is niet gemakkelijk. Maar er worden goede resultaten mee behaald.
De “Estimative Index” techniek gebruikt als grondslag niet het testen van water, maar regelmatig grote (50%) waterverversingen. Dit geeft de garantie dat de toe te voegen stoffen in een range blijven. Hoe werkt dit nu eigenlijk?
(Voor de wiskundigen onder ons: (lim k->inf :(SUM i:0<=i<k:1/2^i))<=2 )
Bij waterwisselingen van tenminste 50% krijg je nooit meer dan 2x de hoeveelheid stoffen in je aquarium die je erin doet in de periode tussen de waterverversingen (, ofwel de wiskundige reeks: (sum i:0 kleiner dan of gelijk aan i: 1/(2^i)) = 2). Daarnaast hebben de planten in ieder geval minimaal beschikking tot alles wat er tussen het waterverversen ingegooid wordt.
(In dit model wordt niet meegenomen dat vissen ook “output” leveren, planten stoffen lekken, het substraat stoffen vrijlaat, … . Maar verstoringen dempen ook makkelijk door het verversen)
Overigens: Bij EI is (een poging gedaan) de “maximale opname” van de planten te bepalen, en aan de hand daarvan te doseren. Bij problemen hoor je ze vaak “gooi de CO2 omhoog” roepen, omdat ze zeker weten dat de rest van de voedingsstoffen in voldoende mate aanwezig is (niet limiterend).